De soorten
| Type | Profiel | Sterk in | Zwak in |
|---|---|---|---|
| HT (highway terrain) | Fijn, gesloten | Comfort, stilte, natte weg | Modder, scherpe stenen |
| AT (all terrain) | Middelgrote blokken, beperkt open | Grind, zand, lichte modder, lange ritten op de weg | Zware klei en diepe modder |
| MT (mud terrain) | Grote blokken, veel open ruimte | Modder, rotsen, zijwandbescherming | Geluid, slijtage, natte weg, brandstofverbruik |
AT-banden
Een AT-band is het compromis voor een auto die de meeste kilometers op de weg maakt en daarnaast pistes, zand en licht terrein aandoet. Voor overlanding is dat de gangbare keuze: stiller op de lange ritten, langer houdbaar en met een redelijke grip op nat asfalt. Veel AT-banden dragen het Alpine-symbool, de bergtop met sneeuwvlok, en voldoen daarmee aan winterbandeneisen in landen waar die gelden.
MT-banden
Een MT-band heeft grote blokken met brede groeven die zichzelf schoonmaken in modder. De zijwanden zijn vaak versterkt en hebben blokken tot op de flank, wat grip geeft in diepe sporen en de zijwand beschermt tegen stenen. De prijs daarvoor is een hoger geluidsniveau, snellere slijtage op asfalt en een langere remweg op natte wegen.
Bandenbouw: P, LT en ply
Terreinbanden bestaan in een personenautouitvoering en een LT-uitvoering (light truck). LT-banden hebben meer lagen in karkas en zijwand, een hoger draagvermogen en zijn beter bestand tegen doorboringen. Ze zijn stugger en rijden minder comfortabel. Voor een zwaar beladen overlandauto is een LT-band meestal de betere keuze.
Bandenspanning
De spanning op de weg volgt het voorschrift van de fabrikant voor de beladingstoestand, meestal op een sticker in de deurstijl of tankklep. In het terrein wordt de spanning verlaagd voor meer grip en comfort. Richtwaarden voor een lichte terreinauto:
| Ondergrond | Verlaging ten opzichte van de weg |
|---|---|
| Grind, piste met ribbels | Ongeveer 20 procent |
| Rotsen, stenen | Ongeveer 30 tot 40 procent |
| Mul zand | Ongeveer 40 tot 60 procent |
Bij lage spanning blijft de snelheid laag en worden scherpe bochten vermeden, zodat de band niet van de velg loopt. Een bandenspanningsmeter die ook onder 1 bar nauwkeurig is en een 12V-compressor die een band binnen een paar minuten weer op spanning brengt, horen bij de basisuitrusting.
Reservewiel en reparatie
- Een volwaardig reservewiel in dezelfde maat, geen noodwiel.
- Een reparatieset met pluggen voor doorboringen in het loopvlak.
- Een krik die op de hoogte van de auto en de ondergrond past, met een plank of voet voor zachte grond.
- Bandenlichters voor wie ver van huis rijdt.
Slijtage en rotatie
Grof profiel slijt ongelijkmatig als de banden niet regelmatig worden gewisseld. Rotatie elke 8.000 tot 10.000 km, inclusief het reservewiel bij vijf gelijke wielen, houdt de slijtage gelijk en geeft onderweg een reserveband met vergelijkbaar profiel.